Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoordgenerator
Vul hier een jaartal in (vanaf 1800) en ontdek welke woorden er in dat jaar aan het Nederlands werden toegevoegd.

 

haar - (draadvormige huidbedekking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

haar 2 zn. ‘draadvormige huidbedekking bij mensen en dieren’
Mnl. hare har ‘haar haar’ [1236; CG I, 24], haer zowel ‘de (hoofd)haar’ als ‘het haar’ [1240; Bern.].
Os. hār (mnd. hār); ohd. hār (nhd. Haar); ofri. her (nfri. hier); oe. hǣr (me. her, heare; ne. hair met spelling onder invloed van Oudfrans haire ‘haren boetekleed’); on. hár (nzw. hår); < pgm. *hēra(-) ‘haar’.
Verdere etymologie onduidelijk. Traditioneel verwant gesteld met Litouws šerys ‘dierenhaar’; Oudrussisch sĭrstĭ ‘haar, wol’ (Russisch šerst' ‘wol’); < pie. *ker(s) ‘stekel, haar van planten’ (IEW 583). Een andere mogelijkheid is dat pgm. *hēra- met grammatische wisseling en rotacisme teruggaat op pie. *kēsó-, bij de wortel *kes- ‘kammen, kaarden’, waarbij ook horen: Oudkerkslavisch kosa ‘haar’, česati ‘kammen’; Litouws kasà ‘vlecht’; Hittitisch kis-zi ‘hij kamt’. Misschien is ook Oudiers cír ‘kam, hark’ < pie. *ḱēs- verwant. Mede gezien het betekenisveld en de beperkte geografische spreiding gaat het hier mogelijk om een voor-Indo-Europees substraatwoord.
Het meervoud was oorspr. gelijk aan het enkelvoud en voor het taalgevoel werd dat meervoud later geïnterpreteerd als een enkelvoud met collectieve betekenis. Daarnaast kon dan een nieuw meervoud haren ontstaan voor ‘een meertal losse haren’; deze vorm is in het Middelnederlands nog ongewoon, maar verschijnt toch al geïsoleerd in de seuen hairen van sijn hooft [1265-70; CG II, Lut.K]. Haar is van oudsher onzijdig, maar in het huidige NN wordt onderscheid gemaakt tussen de collectieve vorm het haar en het enkelvoud van haren: de haar.
haarfijn bn. ‘uiterst fijn, zo fijn als een haar’. Nnl. Engelsche Hemden, ... zo fyn als een hair, een hair fyne zakdoek [1785; WNT]; tegenwoordig meestal overdrachtelijk en als bijwoord ‘tot in de details’: U, die anders zoo haarfijn alles op uwe moreel goudschaaltje weegt [1806; WNT]. Samenstelling met → fijn, misschien ontstaan onder invloed van Duits haarfein ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haar2* [hoofdhaar] {haer, hare 1236} middelnederduits, oudsaksisch, oudhoogduits har, oudfries her, oudengels hær, oudnoors hár; verdere verwantschappen zijn onzeker, maar het is denkbaar dat grieks keirein [snijden] verwant is. De uitdrukking haar op de tanden hebben slaat mogelijk op de baard en de snor, tekenen van mannelijkheid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haar 1 znw. o. ‘hoofdhaar’, mnl. haer, os. ohd. hār, ofri. hēr, oe. hær (ne. hair), on. hār. — Zie: horst.

Het germ. *hāra sluit verwantschap met on. haddr ‘lang hoofdhaar’ (waarvoor zie: hede) uit. Verder slechts onzekere etymologieën. Men dacht vroeger aan verband met het ww. scheren dus van idg. wt. *(s)ker ‘snijden’ (Detter ZfdA 42, 1898, 55); nu eerder aan oi. śala- ‘haar’ (alleen overgeleverd in kapucchala ‘haar aan het achterhoofd’), osl. srǔstǐ ‘haar’, lit. šerȳs ‘varkenshaar’, lett. sari ‘borstel’ bij de idg. wt. *ḱer(s) ‘stijf haar’ (IEW 583). — Andere mogelijkheden zijn verbinding met lett. cera ‘hoofdhaar’ of met lat. cresco ‘groeien’?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haar I znw. o., mnl. haer o. = ohd. hâr (nhd. haar), os. hâr, ofri. hêr, ags. hæ̂r (eng. hair), on. hâr o. “haar”. De combinatie met on. haddr m. “vrouwenhaar” (*χazda-), ksl. kosa “haar”, lit. kasà “haarvlecht”, obg. česati “kammen” enz. (zie hede) is onmogelijk wegens het ontbreken van den R-umlaut in het On. Wij moeten dus van germ. *χêra- uitgaan en dan is verwantschap met scheren wsch.: vgl. on. skor v. “hoofdhaar”; ook oi. kapúcchala- “haar aan ’t achterhoofd” (-c(h)ala- uit (s)qero-)?

[Aanvullingen en Verbeteringen] haar I. Andere mogelijke combinaties: 1. met lett. zera “hoofdhaar”, zerba, zirta “lok” (idg. q), — 2. met lit. szeriů-s “ik verhaar”, szerỹs “zwijnshaar, borstel” (idg. ). 1. is desnoods met de combinatie met scheren te vereenigen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

haar I znw. In de Aanv. staan andere mogelijke combinaties vermeld, waarvan die met lit. šeriúos, šértis ‘verharen’ het waarschijnlijkst is; oi. kapúcchala- ‘haar aan ’t achterhoofd’ kan ook hierbij horen; verder ksl. srĭstĭ ‘wol’ (čech. srst' ‘haar’, russ. šersť ‘wol’)? Met deze laatste woorden is wsch. ohd. hursti ‘cristas’ verwant. Zie bij horst en horst Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haar 4 , in haar op de tanden hebben is niet haar = hader (d.i. twist), maar haar 1; de uitdrukking = baard en knevels hebben: vergel. Hgd. Haare auf den Zähnen haben.

haar 1 o. (cheveu), Mnl. haer, Os. hâr + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. haar), Ags. hæ'r (Eng. hair), Ofri. hér, On. hár (Zw. hår, De. haar); wellicht verwant met scheren, zooals On. sko̧r, Oier. corc, Lett. zera = haar. Een Germ. afleidsel van haar (Ohd. hâra, Ags. hæ're, Mnl. hare) gaf het Fr. haire = haren kleed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

haor (zn.) haar; Vreugmiddelnederlands har <1236>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

goed bn., (i.h.b.:) overeenkomstig de (veronderstelde) normen van Nederlanders of blanken i.h.a. (m.b.t. uiterlijke kenmerken van Creolen); i.h.b.: goed haar = sluik haar; een goede kleur = een lichte (huids)kleur. Vroeger was je geweldig* als je een Chinese vriendin had. Dan zouden je kinderen goed haar krijgen en een betere kleur (Dobru 1969: 51). - Zie ook: glad*, slecht*, verbeteren*.
— : goede droom (de, dromen), prettige, gunstige droom; voorspoed voorspellende droom. Wanneer je genezen bent, voel je dat en je krijgt ook goede dromen, waarin de winti* je komt bedanken (Wooding 380). - Zie ook: schone* en slechte* droom.
— : bw.: blijf goed: zie blijven*.
— : goed houden, overg. (hield, heeft gehouden), bevriend blijven met, op goede voet blijven met. Zijn moeder had gezegd dat hij tante Nettie goed moest houden als hij ingenieur wilde worden en als hij dacht dat hij naar het lyceum kon (Doelwijt 1972b: 20). - Zie ook: goed* zijn op.
— : er goed uitzien (zag er g. uit, heeft er g. uitgezien), knap zijn (van uiterlijk); een goed figuur hebben. En Harold ziet er zeer goed uit. Ik kan me dan ook levendig voorstellen dat hij een paar maal voor hete vuren gestaan heeft toen er weer een of ander meisje smoorverliefd op hem was geworden (Ferrier 1968: 150). () ik heb n.l. eens de verwarring gezien op het gezicht van een zeer goed (coca-colafles) uitziende dame* met wie ik was toen Alfons haar groette () (Dobru 1968a: 48). - Etym.: Ook in AN, maar veel minder alg. dan in SN.
— : goed zijn: is goed (dan), het is goed, het is in orde, daar ga ik mee accoord. En, hoe vaak zat je niet te huilen en dan zeggen dat je hoofdpijn had. Wel is goed dan, misschien wil je me niet alles vertellen (Vianen 1972: 9).
— : goed zijn op (was, is geweest), goed kennen; op goede voet staan met, het goed kunnen vinden met. Wij zijn goed op elkaar, u weet hoe dat gaat, haar man vaart en zij wil ook wel eens iets (Doelwijt 1972b: 119). - Zie ook: goed* houden.

slecht bn., (i.h.b.:) niet overeenkomstig de (vermeende) normen van Nederlanders of blanken i.h.a. (m.b.t. enige uiterlijke kenmerken van Creolen*); i.h.b.: slecht haar = kroeshaar; een slechte kleur - een donkere (huids)kleur. Je haar was slecht haar, omdat het kroes* was (Dobru 1969: 34). - Zie ook: goed*, verbeteren*.
— : slechte droom (de, -dromen), nare droom; onheilspellende droom. Ze zeiden ook dat ik dat kon nagaan omdat ik slechte dromen kreeg. Ik droomde o.a. dat ik met mijn oma en een kennis van haar op een begraafplaats was. Die mensen zijn dood (Wooding 375). - Etym.: Vgl. E bad dream (bad = slecht; dream = droom). - Zie ook: goede* en schone* droom.

plat bn., gering van afmeting in vertikale richting, dus ook: dun (een plat boek), ondiep (plat water), laag, ondiep (een platte kist), kort (bij kroeshaar: plat haar). Desi-wiri de echte naam is liemswied*. Plant met gele bloemen die plat langs wegen groeit (Sedoc 29). - Etym.: S plata = plat; ondiep.
— : zie platte brug*.
— : platte buurt (de, -en), armelijke wijk, krottenwijk. Deze [villa]wijken beslaan even-wel slechts een deel van de stadsrand. Zo loopt van het centrum naar het zuiden van de stad een langgerekte zone van zgn. platte buurten, waar veel armeren woonachtig zijn (Enc.Sur. 468).
— : platte doodkist (de, -en), eenvoudige, goedkope, ondiepe doodkist. Haar lijk vonden ze verminkt terug en ze deden het in een gewone platte doodkist, ruwe, nauwelijks geschaafde planken (Ferrier 1968: 144). - Etym.: Zie plat*.
— : platte pan (de, -nen), koekepan. Nodig is voor zes personen: drie vingers* rijpe bana [banaan*]; zout, zwarte peper, red devil (gemalen) rode Westindische peper, knoflook poeder, een scheutje azijn, vier tot zes jiggers Westindische rum, spijsolie* en een goede platte pan (King Creole in WS 15-3-1986, in recept voor ’devilled banana’). - Etym.: zie pan* (I). - Syn. bakpan*.
— : zie platte soep*.
— : plat eten (at, heeft gegeten), ww. uitdr., klaplopen, parasiteren op. Vroeger wilde niemand met hem omgaan, maar nu hij rijk is heeft hij vrienden die hem plat eten. - Etym.: S njan plata (njan = eten; plata = plat). Cairo (1977: 85; 1978b: 183) gebruikt alleen plat vreten.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

haar I: uitgroeisel uit vel v. mens en dier; Ndl. haar (Mnl. haer), Hd. haar, Eng. hair, hoërop wsk. verb. m. Lit. sjerӯs, “varkhaar”, en m. Oind. sala-, nog bewaar in ss. kapucchala, “agterkophaar”; oor bet. “haarkleur, voorkoms” in verbg.: aan die haar mis (o.a. by Trig) v. Scho (TWK/NR 7, 1, p. 38) en lRo T (DLT 238 s.v. haar 3) en oor haar I as ww. v. WAT s.v. haar1 II.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

hoor: haar | < Jidd. < Mhd.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Hem zal geen haar (op het hoofd) gekrenkt worden, hem zal niet de minste lichamelijke of geestelijke schade toegebracht worden. Ook:
Iemand geen haar krenken, iemand in geen enkel opzicht schaden.

Een haar is een uiterst nietig deel van het menselijk lichaam, en geen haar staat in bijbels en niet-bijbels taalgebruik dan ook voor 'niet het minste deel, volstrekt niets (van iemand)'. In de bijbel wordt dit beeld vaak gebruikt om de volmaakte zorg van God voor de mens te tekenen: 'Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld (Matteüs 10:30, NBV); en in oudere vertalingen: 'Er zal geen haar van zijn hoofd ter aarde vallen' (1 Samuël 14:45, NBG-vertaling).
De uitdrukking met krenken komt pas sinds de 19de eeuw voor; we vinden haar dan ook pas in de jongere vertalingen, onder andere in Handelingen 27:34, 'Niemand van u zal een haar op het hoofd gekrenkt worden' (Willibrordvertaling). Deze vertalingen volgen mogelijk een bestaande uitdrukking die onder invloed van oudere varianten ontstaan kan zijn. De NBV gebruikt de (modernere) vorm zonder op het hoofd: 'En Salomo zei: "Als hij zich behoorlijk gedraagt, zal hem geen haar worden gekrenkt, maar zodra hij een misstap begaat, zal hij sterven" (1 Koningen 1:52, NBV). De volgende beschrijving uit de huisdierenwereld is ongetwijfeld een variant op deze uitdrukking: 'Een [...] vogelkennis wist te vertellen dat katten, wanneer ze eenmaal hebben begrepen dat zo'n vogel tot het gezin behoort, het diertje geen veer zullen krenken' (K. van Kooten, Modermismen, 1985, p. 61).

NBG-vertaling (1951), Handelingen 27:34. Niemand uwer zal ook maar een haar van zijn hoofd gekrenkt worden.
De nieuwe regering in Kigali heeft inmiddels verklaard dat iedereen die zich niet aan slachtpartijen heeft schuldig gemaakt, geen haar gekrenkt zal worden. (NRC, juli 1994)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

haar. In de oorspronkelijke eedformule bij Gods haar worden God en diens haar tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik ervan maakt haar tot een vloek en later tot uitroep. Een verzachte vorm van de verwensing breek je nek! is breek een haar! Vaak komt ze niet voor. Van Eijk (1978: 80) kent ook nog ik wens je geen haar minder in je pruik!, dat in betekenis volgens haar gelijk is aan krijg het rambam! Als men in Vlaanderen zo boos is op iemand dat men hem graag naar elders ziet vertrekken, gebruikt men volgens Mullebrouck (1984) ook wel de verwensing vreet uw haar op en schijt kalotten! Een kalot is een ‘plat mutsje zonder klep, dat vooral door oude priesters gedragen wordt’. Met die letterlijke betekenis heeft de verwensing niets meer te maken. De emotionele betekenis duidt ook op enorme minachting. → konthaar, schijten, vreten.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

hoor haar; nhd. Haar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haar ‘buigzame vezels die op huid van zoogdieren groeien’ -> Fries haar ‘buigzame vezels die op huid van zoogdieren groeien’; Negerhollands haar, hā, har, haer ‘buigzame vezels die op huid van zoogdieren groeien’; Berbice-Nederlands hari ‘buigzame vezels die op huid van zoogdieren groeien’; Skepi-Nederlands har ‘buigzame vezels die op huid van zoogdieren groeien’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

haren splitsen. Letterlijke vertaling van Engels split hairs = haarkloven; muggenziften; Wat de communautaire problematiek betreft, wil ik hier zeker geen haren splitsen. Het is zeker mijn bedoeling niet om op onredelijke wijze een nieuw communautair debat uit te lokken. (2002); Niet al die vragen verdienen antwoord: ik ga niet haren splitsen over de uitleg van de Koran. Ik heb te maken met burgers en die beoordeel ik op hun gedrag; Uiteraard zijn we haren aan het splitsen maar dat is nu eenmaal het verschil tussen praktisch toegepaste wetenschap en wetenschapsfilosofie.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haar* buigbare vezels die op huid van zoogdieren groeien 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

648. De gelegenheid bij de haren grijpen of pakken,

d.w.z. gretig van den geschikten tijd of eene gereede aanleiding gebruik maken, ze aangrijpen, er zonder verwijl gebruik van maken, want ‘als 't pap regent mot je de schuttels buten brienge’, ‘als 't hooi droog is moetje mennen’ en ‘als de uien droog zijn, moeten ze onder stroo’ (N. Taalg. XIV, 252). Vgl. het fr. prendre l'occasion aux (ou par les) cheveux; hd. die Gelegenheit beim Schopf (oder bei der Stirnlocke) fassen oder greifen; eng. to take (or seize) time by the forelock or the top. (Shakespeare: Let's take the instant by the forward top). Men herinnere zich, dat de Grieken het gunstige oogenblik, de gelegenheid, voorstelden als een naakte vrouw of als een jongeling met kalen achterschedel, of met lang haar van voren en zeer kort van achteren, en den eenen voet, soms gevleugeld, op een rad (vgl. het lat. fronte capillata, post est occasio calva). Liet men haar voorbijgaan, dan was zij van achteren niet meer te grijpen, men moest haar, wanneer ze voor iemand kwam, onmiddellijk vóor bij het haar grijpen. Voor bewijsplaatsen van deze zegswijze zie men Hooft's Brieven, 253; Vondel VIII (ed. Alb. Thijm), 328; Fenic. 780: De krijghskans by 't haer grijpen; Huygens IV, 17; Westerbaen I, (Ockenb.), 74: 't Geluk bij de bles grijpen; Staring, Jaromir II, 33:

Heintje Pik lag op zijn luimen,
Om, met acht vingers en twee duimen,
De kans, hem vroeg of laat geboôn,
Krachtdadig bij haar vlecht te pakken,
En onzen driesten Muzenzoon
Een kool te bakken.Zie Zwolsche Herdrukken, VII, bl. 129-130.

Zie verder het Ndl. Wdb. V, 1411; Baumeister, Denkmäler II, 771; Wander I, 1530; Otto, 249; Journal, 255.

753. Wilde haren.

Hieronder verstaat men ‘jeugdige dartelheden en overmoedigheden, onbezonnenheden en onbesuisde streken’. Vroeger zeide men ook: (een) wild haar in den neus hebben, een losbol zijn (zie Sart. I, 2, 23) en thans dialectisch 'n wild hoar in nek hebben (Molema, 159 a); fri. in wyld hier yn 'e nekke ha. Misschien moeten we denken aan wild groeiend haar, dat iemand in den neus prikkelt, jeukt, waardoor hij ongeduldig, of krieuwelig, kittelig, wild wordt; vgl. echter ook no. 755. Bij overdracht wordt dan wild haar of wilde haren genomen voor dartelheden, overmoedigheden. Zie het Ndl. Wdb. V, 1406; 1400; Sewel, 305: Hy heeft een wild hair in de neus, he is a hairbrain'd fellow, he is like to run into debauchery; Halma, 201: Een wild hair in den neus hebben, los en ongebonden zijn; Tuinman I, 34; Harreb. I, 269: Hij heeft zijn wild haar verloren.

754. Op een haar,

d.w.z. zoodat het niet de breedte van een haar scheelt, verschilt; zoodat er niet de breedte van een haar aan ontbreekt; zeer nauwkeurig, tot in de geringste bijzonderheden; ook in Zuidndl. (o.a. Teirl. II, 6); 17de eeuw op een trip (Vondel); fri. op in hier ôf; hd. auf ein Haar; eng. to a hair. Vgl. op een prik. In zeer vele verbindingen treft men een haar aan in den zin van iets zeer gerings, en geen haar (hd. kein Haar) in dien van geen zier, geen lor, volstrekt niets; vgl. lat. pili facere, geringschattenOtto, 279.. Ook in de middeleeuwen niet een haer (vgl. lat. nihil uit ne hilum, geen haar); eveneens in het mhd. niht ein har; zie Mnl. Wdb. III, 11-12; De Jager, Latere Versch. 129; Erasmus, CLXX; Antw. Idiot. 521; Waasch Idiot. 271; Teirl. II, 6. Vandaar ook de ironische uitdr. ‘ik acht er hem geen haar (d.i. niets) te goed toe’, ik reken hem daartoe wel in staat (zie Sewel, 305).

755. Gekruld haar, gekrulde zinnen,

d.w.z. iemand die gekruld haar heeft, is wispelturig: ‘men meende dat kroes of gekrult hair een teken was van een hoofdigen en oploopenden inborst’ (Tuinman I, 34). Vgl. voor dit volksgeloof Barth. 88 a: Ist dat die haren seer cruust ende dicke sijn ende haestelicken wassen, beteykent hette des hoofts ende veel humorenMnl. Wdb. III, 2183. Vgl. het 17de-eeuwsche kroes, opvliegend, en krul, stout, fier, trotsch; zie Lat. Versch. 272.. Bij Campen, 57: kruys haer, kruyse sinnen; bij Idinau, 159:

Ghekronckelt hayr, ghekronckelde sinnen;
Dat siet men in gheesten, van vremden haere,
Die onghestapelde dinghen beminnen
Noch licht en verschieten van quade maere.
Prijst grijs van sinnen, en jonck van iaere.

Vgl. het hd. krauses Haar, krauser Sinn; Krauskopf Brauskopf; de. kruset Haar, kruset Sind; eng. curled heads are hasty; in Groningen: kroes hoar, kroeze zinnen (Molema, 228 b); in het Friesch: krolle hieren, krolle sinnen; oostfri. kruse Hâr un kruse Sinn, spitze Näs un spitzet Kinn, der sitt de Deifel drêmal in (Eckart, 177; Dirksen I, 39); in Zuid-Nederland: krulhaar, dul haar (Joos, 149); gekrolde haren, gekrolde zinnen (Antw. Idiot. 1704); lang haer, lange zinnen (in Kluchtspel, III, 8); zie De Cock2, 32; Volkskunde XXIII, 195; Harreb. I, 268; 270: Vrouwen met gekruld haar hebben wormen in het hoofd (17de eeuw); Wander II, 220.

756. Haar op de tanden hebben.

Men zegt van iemand, die goed van zich af durft spreken, zich flink met woorden weet te weren, onversaagd, onvervaard is, dat hij of zij haar op de tanden heeft. Vgl. ook in het nhd. Haare auf den Zähnen haben; in het nd. hár oppen tenen hân; ook hár up de kûsen hân of hebben (Dirksen I, 39); in Meiderich: hör upp denn Tand hewwe; westph.: dai het har am bard (oppen tenen); in het fri.: hier op 'e tosken ha; in het gron. hoar om de koezen hebben (Molema, 159 a). In Zuid-Nederland is de uitdr. eveneens algemeen bekend; zie Schuermans, 171 a; De Bo, 1132 a; Waasch Idiot. 271 b; Antw. Idiot. 521 en Claes, 79; bij Teirl. I, 91: Een wijf met een baard, een sterke vrouw, die niet gauw vervaard is, die haar op de tanden heeft. In Limburg kent men ook ‘hij heeft haken op de tanden’ (Onze Volkslaal II, 219), dat men in eigenlijken zin van paarden zegt, die scherpe, spitse verhevenheden op de kiezen hebben, welke door onregelmatige afwrijving zijn ontstaan, terwijl in het nhd. geheel in denzelfden zin gezegd wordt Haare auf der Zunge haben (dit ook in Zuid-Limb. (Jongeneel 90) en bij Brederoo II, 283, 1195?). Opmerkelijk is de soortgelijke beeldspraak in het Grieksch λασιον κηρ, harig hart voor: manmoedig hart, en λασια φρην, ruig gemoed voor: dapper gemoed. Van al de verklaringen welke van deze uitdrukking zijn gegeven, komt me die van Schrader, Wunderg. 129 nog als de aannemelijkste voor. Deze zegt namelijk ‘Da man in der Fülle der Haare Kraft und Mannheit sieht, so teilt man in absichtlicher, bewuszter Uebertreibung selbst solchen menschlichen Gliedern Haare zu, welche diese gar nicht haben, nicht haben können.’Vgl. ook Paul, Wtb. 228: Haare auf den Zähnen haben. d.h. einen Bart, als Zeichen männlichen Mutes; Wander II, 220: Haare auf den Zähnen, Stacheln auf der Zunge, Spiesse im Herzen. Voor andere, minder waarschijnlijke, verklaringen zie Noord en Zuid XVIII, 9-15; Ndl. Wdb. V, 1406-1407Opmerking verdient eene plaats uit de Veelderh. Geneuchlijcke Dichten (ed. Lettk.), bl. 189, waar van flauw, krachteloos bier gezegd wordt: het en heeft niet een haerken op zijnen kam.; fr. avoir du poil (au coeur). (Aanv.) Voeg bij. être (un homme) à poil.

757. Elkander in het haar zitten of vliegen,

d.w.z. plukharen (in Zuid-Nederl. ook haarkepluk doen), vechten, krakeelen, twisten, zoowel in eigenlijken als in overdrachtelijken zin; ook (elkander) bij het haar hebben (Rusting 49); 17de eeuw: met iemand in het haar liggen (Pers, 26 a; 109 a). Zie Tuinman I, 282: Zy zitten malkanderen in 't hair, dat zegt men van twee, die een krabbelvuistje leggen en malkanderen by den kop krijgen; Sewel, 305: Malkanderen in 't haair zitten, to fall together by the ears, to fight or quarrel; vgl. lat. involare alicui in capillum; het mnl. haerropen, haerplocken, enen dat haer kemmen; het 17de-eeuwsche haarreepen en de uitdr. elkander in den baard zitten; elkander in den kam zitten (eig. van kemphanen); fri.: immen yn 't hier (of yn 't bird) sitte en immen nei 't hier fiele; in Twente: mekaar in 'n toef (of in 'n kam) zitten. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 2225: malkander in 't haar zitten, met elkander twisten; 614: iemand naar zijnen kam rijden, hem heftig bekijven; iemand in zijnen kam vliegen, hem in gramschap toevliegen. In het hd. zegt men eveneens: einander in die Haare geraten; sie liegen sich in den Haaren; fr. se prendre aux cheveux, aux crins.

759. Iemand of iets met de haren (of bij het haar) er bij sleepen,

d.w.z. iemand of iets als met geweld bij iets te pas brengen, waar hij (het) eigenlijk niets mede te maken heeft; in iets moeien, ergens in mengen, met iets in aanraking of in verband brengen. Reeds in het Grieksch των τριχωυ ελκειν; lat. capillis (-o) trahere. Zie Erasmus, XXXVII en Van Effen's Spect. IV, 85; VI, 23; XI, 78. Vgl. het eng. to drag in (by the) head and shoulders; nhd. etwas an den Haaren herbeiziehen; nd. mit de Hâre bihaln (FEckart, 178); fr. tirer qqch par les cheveux. In Zuid-Nederland zegt men van iets, dat gewrongen is, een verhaal, dat onwaarschijnlijk is, dat het met 't haar getrokken is (Antw. Idiot. 1735).

760. De haren rijzen (of staan) mij te berge,

d.w.z. ten gevolge van schrik, ontzetting en afgrijzen krijg ik een gevoel alsof mijne haren zich oprichten; lat. comae horrent; mihi pili inhorruerunt. Ook in middeleeuwen dat mi alle mine haer upwaert stonden van groten vare (Reyn. I, 2304); al mijn hair staet mi te storme van aen te sien (Reyn. II, 6662). Vgl. ook Job. 4, 15: Een Geest: hy dede het hair mijnes vleesches te berge rijsen; Ps. CXIX, 120; Sart. I, 7, 18: Phocensium execratio. Vervloeckingh dat een 't haer op 't hooft rijst; Vierl. 218: Mijn haer stont mij overeijnde bij maniere van spreken; Hofwijck, vs. 430; 1110; Adam in Ball. vs. 1237: Mijn haer rijst overendt; Lucifer, vs. 1537: Hoe ryzen al myn haeren! Ndl. Wdb. II, 1866; Teirl. II, 6: Zijn haar staat rechte; Wander II, 227: Es stehen (steigen) ihm die Haare zu Berge; das ist haarsträubend; fr. les cheveux se dressent sur la tête; eng. his hair stands on end (or upright).

761. Alles (of iets) op haren en snaren zetten (of stellen),

d.w.z. alles in het werk stellen, hemel en aarde bewegen om zijn doel te bereiken; vooral: de uiterste drang- en dwangmiddelen aanwenden om zijn zin te krijgen. In het fri. op haren en snaren ôf, op het nippertje; by haren en snaren, met de uiterste moeiteIn Noord en Zuid, IV, 355, wordt uit het Paleis van Justitie van 1 Aug. 1881 aangehaald: ‘Een man, die voor een slapje alle haren op de snaar zet’. Eene niet zeer waarschijnlijke verklaring wordt ook gegeven in de Vrije Fries III, 201.. Alles op het spel zetten alles wagen schijnt wel, volgens Tuinman I, 149 of 289, de oudste en eerste beteekenis te zijn. De gewone verklaring als zouden we hier moeten denken aan de haren van den strijkstok en de snaren van een muziekinstrument voldoet niet. Even onwaarschijnlijk is het, dat we moeten denken aan een vlies, een stuk perkament, dat over haren en snaren gespannen wordt als bij een trommel, of ook aan een boog, dien men spant over een snaar (pees) en dat de uitdr. eig. zou beteekenen: alles spannen, op het punt van bersten en breken (Nav. V, 206). Wellicht moeten we haren als een wkw. opvatten in den zin van bersten (o.a. van de huid), in welke beteekenis het door Plantijn vermeld wordt en thans dialectisch (Twente; Oostfri.) nog bekend is (Mnl. Wdb. III, 155. Ndl. Wdb. V, 2203). De friesche uitdr. op haren en snaren ôf, op het nippertje, wijst ook in die richting. Snaren is er dan later om het rijm aan toegevoegd; vgl. voor dit verschijnsel onder lerven en verven (Boekenoogen, 570); hoeren en snoeren (17de eeuw); tegen heug en meug; de motjens en kotjens; hutje en mutje; hot noch tot; bij kris en kras en dergelijkeZie De Jager, Frequ. I, 418.. Vgl. voor plaatsen uit de 18de eeuw Ndl. Wdb. V, 1401 en zie verder Handelsblad, 11 Juli 1913 (avondbl.), p. 1 k. 1; 30 Oct. 1913 (ochtendbl.), p. 6; 7 Nov. 1913 (avondbl.), p. 1 k. 2; Amsterdammer, 17 Aug. 1913, p. 1 k. 3; De Arbeid, 23 Nov. 1913, p. 3 k. 3; Het Volk, 21 Jan. 1914, p. 2 k. 1.

787. Met de handen in het haar zitten,

d.w.z. in verlegenheid zitten, radeloos zijn. Vgl. Idinau, 286:

Al craut-men hem, daer 't ieuckt, by tijden,
Nochtans so sit-men met de handen in 't haer,
Oock dickmaels, sonder daer ieucksel te lijden,
Dan alleen uyt droefheydt, oft anxt en vaer.
De handen en t' herte, bestaen seer naer.

Vondel, Fenic. 380:

Gy, moeder, ook beladen
Om my, betreurt mijn leet, gekleet in rougewaeden,
Onopgetoit, en met de handen in het haer.

Zie verder Tuinman I, 310; II, 105; Van Effen, Spect. IV, 221; Ndl. Wdb. V, 1412.

907. Zijn hoed staat op drie haartjes.

Men zegt dit van iemand, wiens hoed parmantig, scheef, 17de eeuw kuin, op zijn hoofd staat. De zegswijze, die thans ook in het Noorsch wordt aangetroffen, komt in de 16de eeuw voor bij Sartorius I, 9, 3: 't Bonetken op drie haerkens; vgl. ook Brederoo, Sp. Brab. 511: Jonker jou hoetje staet wel netjens op drie haertjens; Hondius, Moufeschans, 510: Om de mutse naer de wetten op een enckel haer te setten; Tuinman II, 185: Op drie hairtjes staan; Jong. 235: Soms vergat hij in het vuur zijner rede den op drie haren staanden kachelpijp af te nemen. Synoniem is de zegswijze: den hoed (de muts, de pet) op half zeven (of half elf) zetten (vgl. o.a. Jord. 22: Jen Terwee het se pet op half elf), waarbij wellicht moet worden gedacht aan den schuinen stand van den eenigen wijzer op een oud torenuurwerkNdl Wdb. V, 1641 en vgl. in Antw. Idiot. 1821: Het kloksken van elf uren luidt zegt men spottend van iemand die mank gaat.; vgl. O.K. 54: Toon! zet je hoed recht, hij staat op halfzeven! In Antwerpen zegt men hiervoor zijn klak staat op halverzeven (Antw. Idiot. 528; 1482). In Groningen beteekent halfzeven zijn dronken zijn (Molema, 143 bHarreb. II, 499 b.), waarbij sommigen denken aan het eng. half seas over, dat in denzelfden zin gebruikt wordtNoord en Zuid V, 270 en Woeste, 236 b: He es half siewen, er ist toll und voll; hd. halb sieben sein.), doch dat eerder te verklaren is uit Pers, 246 b: Men lette onder de maeltijd wel op Heer Dirk, dat hem doch geen glaesjen mocht voor-by-slippen; nu ter halver zee en in den geest opgetogen. In Zuid-Nederland half zeil zijn (Volkskunde XIV, 144). Ook in Duitsche dialecten is in beide beteekenissen bekend den Hut auf elf (oder auf halber zwölf, op halver achte, aufs Ohr) setzen, tragen (Wander II, 944; Eckart, 229); eng. on nine hairs.

977. Met huid en haar,

d.w.z. geheel en al; syn. met hom en kuit. In het Mnl. bij Despars 3, 226: Dat zy mencanderen upaten met hude ende met hare (vgl. Sp. I7, 93, 20: Met velle met hare); Matthyssen, 41, 33: Mit hude ende hare ter verdomenisse varen; Mar. v. Nijm. 984: Ic salse met huyt met haer nemen; Marnix, Byenc. 49 v; 51 r; Hooft, Ged. I, 156: Met huit met hayr; Tuinman II, 136; Harrebomée I, 269 a; Mnl. Wdb. III, 772; Ndl. Wdb. V, 1413; Eckart, 193; met hair en huid (Schoolm. 254). In het Westvl. ook: met tuit en vlerke, met kop en haar, met hoot en poot; Land v. Waas: met pellen en vellen; fri. mei hûd en hier of mei ham en gram (vgl. Waasch Idiot. 228: met ham en gam); hd. mit Haut und Haar(en); schotsch: hilt-an-hair.

2476. Een vos verliest wel zijne haren maar niet zijne streken,

d.i. al wordt men ouder, toch verliest men niet zijn aangeboren aard; immers het is lichter oude schoenen te verwerpen dan oude zedenSart. II, 7, 90; Cats I, 409; Tuinman II, 90; Harreb. II, 254 a.; de oorspronkelijke neigingen komen altijd weer boven; ‘'t wordt in 't bijzonder toegepast op mannen die, schoon reeds oud zijnde, nog veel van het vrouwelijk geslacht houden’ (Molema, 232 a). Reeds bij de klassieken is dit spreekwoord bekend geweest, blijkens Apost. 12, 66: ο, λυκος την τριχα, ου την γνωμην αλλαττει; Suet. Vesp. 16: proclamaverit vulpem pilum mutare non mores (Otto, 379; Journal, 391; Bebel, 441); zie verder Mergh, 11: de wolf verandert zijn hayr, maer niet zijn aerdZie mlat. raro mascuescit lupulus, quicunque senescit (Werner, 84); Servilius, 145: de wolf verandert syn haer, maer niet synen aert; Cats I, 460: de wolf ruyft van baert maer noyt van aert; Harreb. I, 5 a.); Huygens VI, 161:

 Al wisselt schoon de vos sijn vel,
 De vossen aert blyft evenwel.Vertaling van het Sp. el pelo muda la raposa, mas el natural no despoja.

Harrebomée I, 268 b; Van Eijk II, 93; Taalgids IV, 261; Molema, 232 a; Eckart, 131; fri. de foks forliest syn hier wol, mar syn streken net naast in aep mei syn stirt forlieze, syn kueren net; Rutten, 268 a: een vos verliest wel zijn haar, maar zijne perten niet; Antw. Idiot. 1402; hd. der Fuchs wechselt das Haar und bleibt wie er war (Wander I, 1243); fr. le loup mourra dans sa peau; eng. the fox may grow gray, but never good; de. Raeven forandrer vel sit Skind, men ikke sit Sind.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑er(s)-1 ‘Borste, steifes Haar; starren, rauh und kratzig sein’

Ai. *śala in kapucchala- n. ‘Haar am Hinterhaupt’;
mir. carrach ‘schorfig, räudig, steinig’; anders oben S. 532;
ahd. hursti ‘cristas’, norw. herren ‘steif, hart’, aisl. herstr ‘rauh, barsch’, mhd. hersten ‘erstarren’; vielleicht ahd. as. aisl. hār, ags. hǣr ‘Haar’ von einer s-losen kürzeren Wurzelf. (Dehnstufe);
lit. šerỹs ‘Borste’, šeriúos, šértis ‘haaren, Haare lassen’, šiurkštùs, šiurgždùs ‘rauh’; ablaut. ostlit. šer̃šas ‘Schauer’; lett. sari ‘Borsten’;
slav. *sьrstь (= ahd. hurst) in russ.-ksl. sьrstь f. ‘Wolle’, sloven. sȓst ‘Tierhaar’, russ. šerstь ‘Wolle’, ablaut. russ. šóroš m. ‘rauhe Oberfläche’, abg. vъsorъ ‘rauh’; slav. *sьrchъ in sloven. sȓh m. ‘Schauer’, russ.-ksl. srьchъkъ ‘τραχύς’, sloven. sŕhɛk ‘struppig’.

WP. I 427, Trautmann 305.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal