Toen ik als tiener ergens rond 1981
Sabbath Bloody Sabbath uit de fonotheek in ons dorp leende, zorgde ik er wél voor dat ie op mijn kamer verstopt achter andere platen stond. Mijn ouders mochten deze duistere hoes, met daarop een door een angstdroom geteisterde man, niet zien. Dat zou ongetwijfeld tot gemopper leiden. Of meer.
Het was de enkele hoes, dus géén klaphoes. De mysterieuze foto op de binnenzijde daarvan kende ik nog niet.
Al vond ik de voorzijde heftig, de muziek viel dan weer tegen. Die kwam op mij over als weliswaar somber, maar ook vrij ingetogen. Deze puber ging voor harder en sneller met huizenhoge gitaarmuren. Laat dat nou níet de filosofie van de plaat zijn. De eerste riff in de titelsong is zeker heavy, maar al in de brug erna klinkt een jazzy gitaargeluid. Iets wat ik al wist van
deze verzamelaar. Het hierop volgende
A National Acrobat lijkt qua riff op het vorige nummer; ook dit is een prima lied, maar de tweede midtempo op rij.
Het akoestische
Fluff vond ik prachtig. Als laatste van kant A klinkt dan eindelijk iets wat uptempo is. Toch vervalt
Sabbra Cadabra na enige tijd alwéér in een trager tempo en het eindigt niet met een heftige slotclimax maar met piano en klein drumroffeltje.
Wat ik als puber wel lekker vond waren de gitaarsolo’s, soms zelfs drie tegelijk, zoals in
Killing Yourself to Live. Buitenbeentje
Who Are You? met zijn oersynthesizer (een Moog bespeeld door zanger Ozzy Osbourne) en hypnotiserende-onheilspellende melodie vond ik verrassend pakkend. En toch. Werd het een keer uptempo (
Looking for Today), dan was de riff mij niet hard genoeg.
Ik heb het album een jaar of drie later nogmaals uit de bieb geleend, omdat mijn opname op cassettebandje niet goed meer was. Met andere verwachtingen luisterend, beviel de plaat iets beter. Bovendien viel mij op hoe goed Osbourne bij stem is: de man zingt hoger dan ooit zonder aan kracht te verliezen. Vermoedelijk had ik indertijd zo’n 2,5 ster gegeven.
Inmiddels ben ik dan eindelijk genoeg gerijpt om dit album te waarderen. Verdwenen is mijn hang naar harder-is-beter.
Het vinyl draait nu in zo’n speciale gekleurde versie. Dat laatste hoeft van mij eigenlijk niet, overbodige luxe; maar met de klaphoes in handen begrijp ik waarom gitarist Tony Iommi in zijn biografie
Iron Man om de bandfoto grinnikt: het moest er mysterieus, Middeleeuws uitzien met dat hemelbed; jammer genoeg zie je rechts van de eiken kast een stopcontact…
Hij vindt deze plaat mét het album
Heaven and Hell het hoogtepunt van hun discografie. Dit ondanks een schrijfblokkade. In Californië lukte het Iommi niet om met nieuwe riffs te komen, vertelt Osbourne in zijn bio
I Am Ozzy, eveneens lezenswaardig. Dit werd verergerd door de afhankelijkheid en passiviteit van de andere bandleden, zoals Iommi zijn lezers fijntjes voorhoudt.
Desondanks kwamen de ideeën in Engeland wél. Iommi beschrijft ook hoe hij experimenteerde met keyboards, doedelzak, sitar en meer. Dat kostte veel tijd, mislukkingen gingen subiet de prullenbak in.
Wat resteerde werd dit album, achteraf gezien hun meest progressieve. Dit ondanks een uitputtend tourleven en het intensieve gebruik van cocaïne. Dat hun manager de band verwaarloosde, begon hen ook te dagen. Deze Patrick Meehan liet niet na zich op de hoes als director te laten noteren: centjes centjes centjes…
In 1983 of '84 gaf Osbourne in een interview in Oor af op Iommi, omdat deze er met zijn (drie)dubbele gitaarsolo’s op uit zou zijn geweest indruk te maken op anderen. Bij die woorden moest ik vooral aan dit album denken, met alle details en laagjes. De wrijving die er toen tussen de twee was, is lang voorbij. Het is Osbourne duidelijk geworden dat de riffman uitzonderlijk goed werk leverde en bovendien veel breder dacht dan alleen gitaren.
Zo is het orkest in afsluiter
Spiral Architect, mijn persoonlijke favoriet, Iommi’s idee. Wat ik indertijd al prachtig vond, was het applaus aan het einde, waarna het lied kort terugkeert en wordt weggedraaid. Dat bleef hangen in de jaren erna!
De duistere voorzijde van de hoes was mij indertijd beter bijgebleven dan de achterzijde: daarop echter zie je hoe de man op bed inmiddels wordt getroost door engelachtige vrouwenfiguren, terwijl een enorme manspersoon beschermend aan het hoofdeinde staat. Een tweeluik dus, fraai geschilderd door fantasy-artiest Drew Struzan.
Hier veel meer daarover.
Een album dat qua imago niet duister is, zoals ik eerst dacht. In muzikaal opzicht behoefde het de nodige draaibeurten, in mijn geval verspreid over enkele decennia. Nu het is gerijpt, geef ik
Sabbath Bloody Sabbath vier sterren.